Bernanke zet druk op de ketel

Naar het zich laat aanzien is op de financiële markten de grootste onrust ontstaan door de signalen van Ben Bernanke, de nieuwe Fed-president, die met z’n minder consistente uitspraken in mei en ook deze maand beleggers onzeker maakte. Greenspan’s raffinement zou in dit geval zeer welkom zijn geweest.

Wel was Greenspan in beeld tijdens een hearing van de Senaat met een aantal positieve uitspraken, zoals “de hoge olieprijs is goed verdisconteerd middels kostenbesparingen en een grotere productiviteit en behoeft bijgevolg niet als een inflatie opdrijvende factor te worden gezien.” Wel achtte hij de huidige prijs in staat om de economische groei voor de voeten te lopen. Hiermee nam hij de onzekerheid niet geheel weg. Hij voegde er anderzijds aan toe, “dat de hogere olieprijs tot dusver niet heeft bijgedragen tot erosie van de wereldwijde economische activiteit.” Evenmin mag zijn opmerking onvermeld blijven “dat de huidige hoge olievraag bijdraagt tot een sterke afname van de reserve productiecapaciteit, toenemende raffinagetekorten en bijgevolg tot op zekere hoogte blijvende marktspeculatie, zoals reeds zichtbaar was.” Verder drong hij aan op de verdere ontwikkeling van alternatieve, duurzame energiebronnen om de olieafhankelijkheid op termijn te doen afnemen om op deze wijze een evenwichtigere economie te bewerkstelligen.

In beleggersland geldt onzekerheid als de slechtste raadgever. De paniekreactie op een mogelijk hogere inflatie en rente werd met name neergelegd bij partijen die met geleend geld (hedge funds) werk(t)en. De vinger wijst naar deze speculanten, hoewel het moeilijk is aan te tonen. Als zodanig kan worden gesproken van een gezonde reactie. Citigroup, één van de grootste banken in de VS, kwam met een rapport waarin gewag werd gemaakt van $ 30,3 miljard geïnvesteerd kapitaal in gascontracten en $ 30,1 miljard in oliecontracten. Dit zegt evenwel weinig, want het aantal olie- en gascontracten verdubbelde ook in de periode 1987-1990 zonder een noemenswaardig prijsopdrijvend effect. Het zijn dus wellicht de geopolitieke spanningen die het meest verantwoordelijk zijn voor de omhoog geveerde olieprijs. Datzelfde effect zagen we ook bij en na de Golfoorlogen in 1990 en 2003 met eerst een sterke stijging vooraf om vervolgens weer terug te vallen.

Belangrijker is dat er thans een parallel wordt getrokken tussen de periode eind jaren ’70/ begin jaren ’80 en 2006. Destijds was er eveneens sprake van aanzienlijke speculatie in combinatie met een uitzonderlijk hoge inflatie in de VS, met een top van 14% gevolgd door een kortlopende rentetop van 22%. Een en ander was het directe gevolg van de oliecrises in 1973 en 1979, een sterk gestegen olieprijs en grote geopolitieke spanningen veroorzaakt door Iran (afzetting Sjah) en Afghanistan (Russische inval). Door groeiuitval was er bovendien sprake van stagflatie (inflatie bij een stagnerende economie). Verder hing er nog een andere zware bui boven de kapitaalmarkt en dat was de enorm opgelopen schuldenlast in de Latijns-Amerikaanse landen met een voor die tijd waanzinnige hoogte van bijna $ 2 triljoen. Azië deed in die tijd nog niet mee! Men vreesde toen voor de ondergang van een aantal grote hierbij betrokken Amerikaanse banken. Dit probleem werd opgelost middels een vondst van de toenmalige Amerikaanse minister van Financiën Brady. Zijn naam werd daarop verbonden aan de zogenaamde ‘Brady bonds’, die destijds met een disagio en met groot succes op de internationale kapitaalmarkt werden gezet.

Hoe anders is de situatie nu? 

In de eerste plaats zijn daar wederom de spanningen met Iran en in tweede instantie met Venezuela, die bovendien elkaar gevonden schijnen te hebben. Vooralsnog meer retoriek dan klappen. Hierop liep de olieprijs niettemin weer op van $ 58 naar $ 75 met druk op de inflatie- en renteketel. Dat is op zich nooit positief voor de beurs, tenzij economische groei gepaard met productiviteitsgroei in de pas loopt met de inflatie c.q. rente. Hier ligt op dit moment het pijnpunt, in de verwachting dat de groei in de VS afneemt terwijl de inflatie in eerste instantie tendeert verder te stijgen. Vergeleken met de situatie eind jaren ’70 is er nu evenwel veel minder reden tot paniek. Immers, inflatie en rente liggen onder de 5%. Europa ligt er nog een stukje onder terwijl in Azië de zon nog volop schijnt. Ook de olieprijs na inflatie ligt met meer dan $ 20 nog steeds ruim onder het peil van 1979/80. Voorts hebben alle bij het International Energy Agency (IEA) aangesloten landen nu voor een reservebuffer van 8 maanden gezorgd in het geval zich opnieuw marktverstoringen zouden voordoen. Deze buffer zal een prijsdempend effect op de marktprijs hebben, zoals dat ook na de tropische stormen in de Mexicaanse Golf bleek. Oude, niet meer operationele oliebronnen in Amerika dienen thans als bufferopvang.

Het wezenlijk grote verschil ligt evenwel in het feit dat er nu sprake is van een krachtige groei in Azië met enorme valutaire reserves, terwijl er geen sprake meer is van een gigantische schuldenberg in Zuid-Amerika. Dat laatste kan intussen niet worden gezegd van de VS zelf, waar de staatsschuld middels een wetaanpassing nu mag oplopen naar $ 9.000 miljard. Zolang de Aziaten echter voor de financiering hiervan blijven zorgen, is er in principe (nog) niets aan de hand, maar voor hoe lang nog? Dat is een vraag zonder antwoord. Alleen wanneer de Amerikaanse overheid de tering naar de nering zou zetten en haar budgettaire tekorten zou aanpakken, kan het vertrouwen in de dollar weer toenemen. Gebeurt dat evenwel niet of treden er spanningen van andere aard op, dan is een internationale valutacrisis niet ondenkbeeldig. Immers, de Amerikaanse groei wordt geheel met schuld gefinancierd. 

Het is vooral tegen deze achtergronden waarom energiefondsen in geen enkele portefeuille mogen ontbreken. Datzelfde geldt tot op zekere hoogte ook voor de edelmetalen. Degenen die de euro/dollar/goud-verhouding volgen, kennen deze correlatie. De euro kent daarbij  eveneens een relatief zwakke signatuur omdat deze munt niet kan bogen op nakoming van de destijds in Maastricht gemaakte afspraken. Kortom, fundamenteel blijven alle omgevingsfactoren van de laatste jaren onverkort van kracht. Nu veel koersen door hun stop-loss zijn gevallen is de kans op een verdere daling aanwezig. Deze mogelijke daling wachten wij nog even af. Zodra het stof is gaan liggen, brengen wij u hiervan op de hoogte.

Paul van der Veer, Invision Investments

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.