Come back in November

De beurswijsheid “Sell in May and go away, but remember to come back in September” gebiedt de belegger in de maand mei zijn aandelen van de hand te doen en in september weer in te stappen. Berust deze uitspraak op waarheid of is het niet meer dan een sprookje?

Bouman en Jacobsen onderzochten dit in 2002 in het American Economic Review¹. Zij voerden een onderzoek uit met data van meerdere landen. In 36 van de 37 door hen onderzochte landen blijken de gemiddelde maandelijkse beursrendementen in de periode november tot en met april substantieel hoger te liggen dan die in de periode mei tot en met oktober. In twaalf landen blijkt het gemiddelde rendement in de zomer negatief te zijn. Daarentegen ligt het rendement in de wintermaanden bijna altijd boven de 8%. Dit seizoenspatroon manifesteert zich volgens de onderzoekers vooral in Europese landen. Zij concluderen dan ook dat het ‘Sell in May’-effect een historisch fenomeen is.

Vervolgens proberen zij dit fenomeen te verklaren. Zij geven aan dat het ‘Sell in May’-effect geen verkapt januari-effect zou zijn (een sterke koersstijging in de eerste maand van het jaar). Ook zouden enkele grote uitschieters de resultaten niet hebben vertroebeld en daardoor het gevonden ‘Sell in May’-effect hebben veroorzaakt. Volgens hen ligt de oorzaak ook niet in risicoverschillen, want ondanks de rendementsverschillen in de perioden mei tot en met oktober en november tot en met april zou het risico in beide perioden nagenoeg gelijk zijn. Ook halen Bouman en Jacobsen de verklaring onderuit dat het ‘Sell in May’-effect gecorreleerd zou zijn aan seizoenspatronen in slecht beursnieuws. Hun analyse geeft namelijk aan dat er geen significant verschil bestaat tussen de hoeveelheid slecht nieuws dat naar buiten komt in de zomermaanden en in de wintermaanden. Ook zouden renteveranderingen geen verklarende factor zijn voor de rendementsverschillen in de twee perioden.

Er lijkt volgens hen wel een relatie te zijn tussen vakantiegedrag en het ‘Sell in May’-effect: voor landen met een traditie in zomervakanties zou de theorie kunnen opgaan dat beleggers hun posities in de zomer sluiten, omdat ze met vakantie gaan. Tevens opperen zij de mogelijkheid van een seizoenspatroon in analistenrevisies. Aan het einde van het jaar zouden analisten te positief zijn ten aanzien van hun voorspellingen van de bedrijfswinsten voor het komende jaar. Tijdens de zomermaanden zouden ze deze neerwaarts moeten bijstellen. Deze cyclus zou zich keer op keer herhalen.

De Jong² deed een klein onderzoekje naar het ‘Sell-in-May’-effect op Nederlandse bodem. Hij analyseerde hiervoor de prestaties van de AEX-index vanaf januari 1983. Hij laat zien dat het gemiddelde maandrendement van de periode september tot en met april aanzienlijk hoger lag dan dat van de periode mei tot en met augustus. Dit zou kunnen wijzen op een ‘Sell-in-May’-effect in Nederland. Daar staat tegenover dat het risico in de zomermaanden volgens hem gemiddeld lager ligt dan in de rest van het jaar (in tegenstelling tot de door Bouman en Jacobsen gevonden resultaten voor de 37 landen). Het hogere rendement in de rest van het jaar zou dan gedeeltelijk een vergoeding zijn voor het hogere risico.

Ondanks de conclusies van de Jong en Bouman en Jacobsen, zijn er ook onderzoeken die het ‘Sell in May’-effect enigszins afzwakken. Pierce en Maberly³ beoordeelden bijvoorbeeld de resultaten van Bouman en Jacobsen en kwamen tot een andere conclusie. Enkele grote uitschieters hebben volgens hen de resultaten juist wel vertekend. Na het invoegen van een dummyvariabele binnen het model, om het effect van die uitschieters teniet te doen, blijkt volgens Pierce en Maberly dat er dan van het ‘Sell-in-May’-effect in de VS weinig overblijft. Pierce en Maberly concluderen dan ook dat de ‘beurswijsheid’ niet opgaat voor de Amerikaanse aandelenmarkten. Wel voegen zij hieraan toe dat dit natuurlijk niet wil zeggen dat ook de resultaten van de andere 35 landen niet houdbaar zijn.

Ook de econoom Fama4 stelt dat de uitkomsten van empirische studies over het ‘Sell-in-May’-effect gevoelig zijn voor de gebruikte methodiek. Conclusies van onderzoeken die het ‘Sell-in-May’-effect staven, blijken volgens hem vaak te verdwijnen bij een aanpassing van de onderzoekstechniek. Dit betreft dan bijvoorbeeld een andere specificatie van het gebruikte model. Dit is precies wat Pierce en Maberly hebben gedaan.

Er zijn ook aanhangers van de tegenhanger van het ‘Sell in May’-effect, de zogenaamde zomerrally. Deze zomerrally zou meestal aan het eind van het tweede kwartaal beginnen. De theorie hierachter is dat de beurs in die periode juist sterker stijgt, omdat de meeste fondsmanagers hun halfjaardoelstellingen dienen te halen en daardoor bullish worden. Het bestaan van een zomerrally lijkt niet te worden gestaafd als we de resultaten van de afgelopen veertig jaar van de Dow Jones bekijken. De Dow Jones heeft in deze periode een sterkere rally laten zien in de herfst, winter en voorjaar dan in de zomer. Statistisch gezien is de winter zelfs de beste tijd voor een sterke stijging van de Dow Jones. Dit zou juist het ‘Sell-in-May’-effect staven.

Of “Sell in May and go away, but remember to come back in September” nu opgaat of niet, feit is dat het gemiddelde rendement van de zomermaanden nog altijd wel positief is voor de Dow Jones. Volgens De Jong geldt dit ook voor de AEX-index. Ook het onderzoek van Bouman en Jacobsen laat zien dat slechts 12 van de 37 onderzochte landen een negatief gemiddeld beursrendement in de zomermaanden laten zien. Hier komt bij dat het gemiddelde rendement van de indices een onderschatting is van het werkelijk behaalde gemiddelde rendement op de beurs. De uitgekeerde dividenden zijn hier namelijk niet in meegenomen.

Toch komt in het onderzoek van Bouman en Jacobsen duidelijk naar voren dat het gemiddelde beursrendement in de maanden mei tot en met oktober lager ligt dan in de periode november tot en met april. Ondanks dat Pierce en Maberly de resultaten van het onderzoek van Bouman en Jacobsen voor de VS enigszins afzwakken, blijven de resultaten voor de overige 35 landen overeind. En dat is op een totaal van 37 onderzochte landen toch aanzienlijk. De Jong toont een vergelijkbaar effect aan voor de AEX-index.

Aangezien we ons momenteel bevinden in november, is het beursperspectief op basis van het gemiddelde historische beursrendement dus goed. Wilt u hiervan meeprofiteren, kunt u zich altijd tot ons wenden. Overigens, in het algemeen doet BeursBulletin het beter dan de AEX, ook buiten deze maanden om.

Richard de Wilde, BeursBulletin

 

¹ Bouman, S. en B. Jacobsen (2002) The Halloween Indicator, ‘Sell in May and Go Away’: Another Puzzle, American Economic Review, 1618-1635.

² Drs Richard H.J. de Jong RBA, http://www.lieshout-partners.nl/sell_in_may.htm.

³ Maberly, E.D. and Pierce, R.M. (2004) Stock Market Efficiency Withstands another Challenge: Solving the “Sell in May/Buy after Halloween” Puzzle, Econ Journal Watch, Volume 1, Number 1, pp 29-46.

4 Fama, Eugene F. 1991, Efficient Capital Markets: II. Journal of Finance, December 46(5): 1575-1617.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.