Huidige crisis, een wetmatigheid? (Deel 2)

Vorige week beschreef ik de vier fasen in een transitie, die zich het beste laten visualiseren middels een S-curve. In dit deel zal ik ingaan op ingrijpende transities om de huidige crisis beter te kunnen begrijpen. Als we naar de laatste twee eeuwen kijken, dan hebben er drie ingrijpende transities plaatsgevonden:

1. De eerste industriële revolutie

De eerste industriële revolutie duurde van circa 1780 tot circa 1850 en concentreerde zich in de katoenindustrie. Kenmerkend was de overgang van kleinschalig handwerk naar gemechaniseerde productie in fabrieken.

Grote aanjager in dit overgangsproces was de stoommachine, die door toepassingen in de spoorwegen (stoomtrein) en de scheepvaart (stoomschip) tevens zorgde voor een revolutie in het transportwezen. Omdat stoommachines op steenkool liepen en van ijzer werden gemaakt, kwamen ook de steenkoolmijnbouw, de ijzerindustrie en de machinebouw tot grote bloei.

Groot-Brittannië was het eerste land dat met de industriële revolutie te maken kreeg. De stoommachine werd in het begin vooral gebruikt om de waterpompen van mijnen aan te drijven. Een grote verandering voltrok zich in de textielnijverheid. Door de bevolkingstoename en de koloniale expansie begon de vraag naar katoenen producten snel te stijgen. Omdat de spinners en de wevers de grote vraag niet konden bijhouden, was dringend behoefte aan een door een krachtbron aangedreven weefgetouw, het ‘power loom’.

Er werd een weefgetouw met halfautomatisch schietspoel uitgevonden en er kwam een machine waarmee je meerdere draden tegelijk kon spinnen. Deze ‘Spinning Jenny’, in 1764 bedacht door James Hargreaves, werd in 1779 gevolgd door een sterk verbeterd weefgetouw: ‘Mule Jenny’. In het begin werden ze nog met waterkracht aangedreven, maar na 1780 was de stoommachine zover verbeterd dat deze ook in de fabrieken als aandrijving gebruikt kon worden.

Er kon nu veel meer textiel worden geproduceerd. Dat was ook nodig, want in 1750 had Europa 130 miljoen inwoners, maar in 1850 was dit aantal al verdubbeld, mede door de landbouwrevolutie. Deze liep samen met de industriële revolutie; er werd de kunstmest ingevoerd, drainagesystemen werden ontworpen en de trekos werd door het paard vervangen. Verreweg het belangrijkste onderdeel van deze landbouwrevolutie was de verandering van zelfvoorziening naar productie voor de markt.

Al die mensen moesten kleding hebben. Dankzij de machines werd er sneller en goedkoper geproduceerd en bleven de loonkosten laag. De textielindustrie is een van de aanjagers van de industriële revolutie geweest.

België wordt het eerste geïndustrialiseerde land in continentaal Europa. België bevindt zich “in staat van industriële revolutie” onder het bewind van Napoleon Bonaparte. De industriële centra waren Gent (katoen- en vlasindustrie), Verviers (gemechaniseerde wolproductie), Luik (ijzer, steenkool, zink, machinebouw en glas), Bergen en Charleroi. Op het vasteland volgden wat later Frankrijk en Pruisen. In Amerika volgden ook al snel de noordoostelijke staten van de Verenigde Staten. Na 1870 industrialiseerde Japan als eerste niet-Westers land. Pas omstreeks 1880 volgde de rest van Europa.

Het begin van het einde van deze revolutie was 1845 toen Friedrich Engels, zoon van een Duitse textielbaron, de omstandigheden waarin de arbeiders van Engeland leefden en werkten, beschreef in ‘De toestand van de arbeidersklasse in Engeland’.

2. De tweede industriële revolutie

De tweede industriële revolutie duurde van circa 1870 tot omstreeks 1930. Kenmerkend was de verdergaande mechanisatie door de invoering van de lopende band, de vervanging van ijzer door staal en de ontwikkeling van de chemische industrie. Daarnaast werden steenkool en water vervangen door olie en elektriciteit en kwam de benzinemotor tot ontwikkeling.

Terwijl de eerste industriële revolutie op gang werd gebracht door (soms toevallige) uitvindingen van amateurs, werd de tweede industriële revolutie juist op gang gebracht door ondernemingen die veel geld investeerden in professioneel onderzoek (‘research’) naar nieuwe producten en productiemethoden.

Om over voldoende kapitaal te beschikken, fuseerden kleine bedrijven tot grootschalige ondernemingen, die werden geleid door professionele managers. Ook werden aandelen uitgegeven. Deze ontwikkelingen leidden tot de overgang van het traditionele familiebedrijf naar de naamloze vennootschappen en multinationals.

De Verenigde Staten (VS) en Duitsland liepen voorop in de tweede Industriële Revolutie. In de VS werd vroeg geëxperimenteerd met het lopende band systeem, met name in de auto-industrie. Daarnaast was het land koploper in de productie van staal en olie. In Duitsland kwamen de elektriciteitsindustrie en de chemische industrie tot grote bloei.

Elektriciteitsgiganten waren de bedrijven AEG en Siemens. Duitse chemische bedrijven als AGFA en BASF hadden een leidend aandeel in de productie van synthetische verfstoffen, fotografische en plasticproducten (rond 1900 beheersten zij zo’n 90% van de wereldmarkt). In het spoor van deze twee industriële grootmachten (die al snel Groot-Brittannië voorbijstreefden) volgden Frankrijk, Japan en Rusland.

Na de Tweede Industriële Revolutie maakten steeds meer landen, op steeds meer continenten, een meer of minder bescheiden industriële ontwikkeling door. In sommige gevallen werd de industrialisatie door de staat ter hand genomen, niet zelden met grove dwangmiddelen – denk aan de vijfjarenplannen in de Sovjet-Unie.

De revolutie eindigde na de ‘roaring twenties’ in Amerika, met de beurskrach in New York in 1929. De gevolgen waren desastreus, met als dieptepunt de Tweede Wereldoorlog.

3. De derde industriële revolutie

De derde industriële revolutie begon in circa 1940 en loopt nu op zijn einde. De Verenigde Staten en Japan hebben een leidende rol in de ontwikkeling van computers gespeeld. In de VS werd gedurende de Tweede Wereldoorlog koortsachtig gewerkt aan militaire toepassingen van computertechnologie. Na de oorlog breidde het Amerikaanse ruimtevaartprogramma het aantal toepassingen uit. Japan specialiseerde zich in de ontwikkeling van de industriële toepassing van de computer: de robot.

Vanaf 1970 zette de derde industriële revolutie zich ook in Europa voort. De derde industriële revolutie was vooral een gevolg van een enorme ontwikkeling van de micro-elektronica; elektronische rekenmachines, digitale tellers en horloges, de compact discs, de streepjescode enz.

De versnellingsfase is omstreeks 1980 begonnen door de komst van de microprocessor. De ontwikkeling van de microprocessor legt tevens de basis van de evolutie en de doorbraak van de informatica. Deze had gevolgen op vele terreinen: voor het rekenen, de tekstverwerking, het tekenen en grafisch ontwerpen, het regelen en besturen van machines, het simuleren van processen, het vastleggen en verwerken van informatie, het geldverkeer en de telecommunicatie.

De communicatiefase groeit in het begin van het nieuwe millennium enorm: de digitale revolutie. Volgens veel analisten is nu een nieuw tijdperk aangebroken: dat van de informatiemaatschappij of diensteneconomie. Hierbij is de verwerving en kanalisering van informatie belangrijker geworden dan de pure productie.

Intussen speelt de computer- en de communicatietechnologie een onvervangbare rol in alle delen van de wereld. Steeds meer landen zijn afhankelijk van de dienstverlenende sector en minder van landbouw en industrie.

In het volgende deel zal ik ingaan op de gevolgen van de 3 industriële revoluties om de huidige crisis beter te kunnen begrijpen.

Wim Grommen

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.