Rente en inflatie

De afgelopen maanden werd op economisch gebied zo veel uiteenlopend nieuws bekend dat marktpartijen op de kapitaalmarkt alle reden hadden om iets dichter bij de beeldschermen te gaan zitten. Is de rust op de kapitaalmarkt nu dan weer enigszins teruggekeerd? Ogenschijnlijk.

De onlangs bekend geworden fraaie productiviteitscijfers over het derde kwartaal deden de inflatievrees in de VS aanvankelijk afnemen. Daar stond tegenover dat het uurloon in oktober met 0,5% was gestegen, ondanks een tegenvallende banengroei. De stijging was ruim twee maal zo hoog als verwacht. Het is kennelijk geen toeval dat de koers van de dertigjarige Treasury Bond (langstlopende lening) vanaf september bijna in een rechte lijn naar beneden liep, van 118 naar 111 punten ofwel met zes procent. Ook het effectief rendement (de ‘yield’) van de 10-jarige Treasury is sinds september met ruim 0,4 basispunten gestegen. Dat alles is weliswaar nog niet desastreus, maar wel tendentieus. Een en ander had natuurlijk ook te maken met de snelle stijging van de olieprijs als gevolg van de orkanen in de Mexicaanse Golf.

Na de bekendmaking van bovengenoemde cijfers zullen beleggers de koersontwikkeling van Treasury Bonds nauwlettend blijven volgen. Gezien de enorme buitenlandse vraag naar Amerikaans schatkistpapier lijkt er vooralsnog weinig reden om te moeten anticiperen op een wederom hogere lange rente. Dat is wellicht de belangrijkste reden voor het huidige beursklimaat op Wall Street.

De kans is klein dat de lange rente omhoog moet om de Amerikaanse overheidstekorten te kunnen blijven financieren. Ten minste, zolang de inflatie zich stabiliseert en de vraag naar het schuldpapier aanhoudt. De lange rente vormt tevens het spiegelbeeld van de inflatieverwachting voor de langere termijn. Een verder stijgende lange rente laat haar sporen op de hypotheekmarkt achter. Tot nog toe hebben deze onderliggende factoren de beurzen op peil weten te houden, in de zin dat ze dit jaar nog nauwelijks van hun plaats zijn gekomen. De Dow Jones-index stond op 1 januari op 10.783 punten bij een huidige stand van ongeveer 10.800 punten. De S&P500-index begon dit jaar op 1.212 punten en doet nu ongeveer 1.260 punten. De huizenprijzen konden blijven stijgen door de relatief lage rente. Een aftopping lijkt nu evenwel nabij. De vastgoedmarkt was de afgelopen jaren verreweg de belangrijkste aandrijver van de koopkracht.

Beleggers in Amerikaanse aandelen doen er goed aan buiten het inflatiecijfer zelf dus vooral op deze sleutelindicatoren te letten. Beleggers in Europese aandelen kunnen iets meer gerust zijn, omdat een hogere dollar als gevolg van een hogere rente een bodem zet onder Europese fondsen met belangen in de dollarsfeer.

Een meer dan ‘zeker’ alternatief in deze woelige tijd vormen de ‘commodities’ waaronder energie (Royal Dutch Shell als één van de machtigste spelers) en goud (bij voorkeur goudmijnen). De index van de Commodity Research Bureau (CRB-index), de door Reuters uitgebrachte commodity-index, wordt eveneens als een inflatie-indicator beschouwd. Tot dusver is deze index dit jaar met meer dan eenderde gestegen vergeleken met vorig jaar. Dus: vinger aan de pols!

Robert Broncel

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.